Biber

De Biber (Duits voor bever) was een eenpersoons minionderzeeër van de Duitse Kriegsmarine tijdens de Tweede Wereldoorlog. In totaal werden 324 exemplaren gebouwd en in dienst gesteld. De Biber maakte deel uit van de zogenaamde Kleinkampfmittel: kleine, speciaal ontwikkelde wapens die bedoeld waren om met beperkte middelen geallieerde schepvaart aan te vallen.
De onderzeeër werd bestuurd door één enkele operator. Deze moest tegelijkertijd optreden als piloot, navigator en wapenofficier. De Biber beschikte over zowel een benzinemotor voor gebruik aan de oppervlakte als een elektromotor voor stille vortstuwing onder water. De maximumsnelheid lag tussen 5,25 en 6,5 knopen. Aan weerszijden van de romp konden twee torpedo's worden meegenomen.
Het plan was om Bibers in grote aantallen over land te transporteren, met treinen en vrachtwagens, naar kustgebieden waar zij konden worden ingezet tegen de geallieerde invasievloot. Ondanks hun beperkte actieradius moesten zij vanuit deze locaties verrassingsaanvallen uitvoeren op vijandelijke schepen.
Het exemplaar dat in het museum te zien is, Biber 205, heeft een bijzondere aanpassing. In de voorsteven van de romp bevindt zich een extra brandstoftank. Deze aanpassing werd alleen toegepast bij Bibers die vanuit de omgeving van Rotterdam naar de Westerschelde voeren om daar het geallieerde scheepvaartverkeer aan te vallen.
Waarschijnlijk maakte Biber 2025 deel uit van K-Flottille 266, een eenheid die actief was tussen oktober 1944 en maart 1945. Dit flottielje werd eind 1944 of begin 1945 verplaatst van Rotterdam naar Emmerich in Duitsland. Vanuit Emmerich werden in januari en februari 1945 verschillende Biber-operaties uitgevoerd.






